Antwerpse Kathedraalconcerten vzw

De geschiedenis van het hoofdorgel in de Antwerpse Kathedraal

   
De geschiedenis van het hoofdorgel in de Antwerpse Kathedraal leidt ons terug tot in het begin van de vijftiende eeuw. De eerste rekeningen van de kerkfabiek vermelden dat organist Jan Van Lare in 1433 een betaling ontving voor herstellingswerken aan een orgel. Men mag dus aannemen dat er reeds in 1430 of zelfs vroeger in de Kathedraal een orgel aanwezig was. Er zijn geen nadere gegevens over dit instrument bekend.

 
In 1449 wordt een volledig nieuw orgel gebouwd, door Adriaen Pieterszoon van Delft. Dit instrument wordt in 1453 verbouwd door Adam van Elen uit Maastricht. In 1469 worden herstellingswerken verricht door Lieven (Sweyss) uit Keulen. Een grondige restauratie wordt uitgevoerd in 1477 door Jan De Bukele. Er worden nieuwe pijpen en een nieuwe blaasbalg geplaatst. Het orgel wordt in 1488 door Adriaen Pieterszoon verkocht aan de Sint Jacobskerk in Antwerpen.
In 1491-92 bouwt Jan De Bukele een geheel nieuw instrument voor de som van 210 Brabantse ponden. Bovendien ontvangt hij een jaarlijks pensioen van 4 pond, en dit tot aan zijn dood in 1504. Kleine herstellingswerken worden uitgevoerd in de daaropvolgende jaren. In 1518 betaalt men 15 pond aan de bekende orgelbouwer Anthonis Mors, voor het plaatsen van nieuwe blaasbalgen. Deze ingreep drong zich op daar de oude blaasbalgen "by de ratten verdorven ende om twee gebeten waren". De knaagdieren getuigen van een gezonde eetlust en amper 4 jaar later dienen de blaasbalgen alweer vernieuwd te worden.
In 1533 breekt een zware brand uit in de Kathedraal en het interieur gaat grotendeels verloren. Ook het grote, laatgotische orgel van Jan De Bukele gaat in de vlammen op. In 1557 krijgt de illustere orgelbouwer Gielis Brebos de opdracht om een nieuw orgel te bouwen. Deze jonge orgelbouwer, afkomstig uit Lier, werd later één van de belangrijkste orgelbouwers in de zuidelijke Nederlanden. Na zijn Antwerpse periode trok hij naar Spanje waar hij voor Filips II in het beroemde klooster van El Escurial vier grote orgels bouwde. Zijn zonen bleven aktief in Spanje en bouwden daar nog meerdere waardevolle orgels.

In 1566 zorgt de beeldenstorm of "kercksmytinghe" voor nieuw onheil. De beeldenstormers vernielen niet alleen talrijke beelden maar ook het orgel. Vele calvinisten hadden het zeer gemunt op orgels vermits, volgens hun opvattingen, de orgelmuziek de gedachten zou afleiden tijdens het bidden. Het "Antwerps Chronykje" maakt melding van het gebeuren: "Oock hebben sy gansch bedorven ende te niet gedaen de schoon sanckboecken ... met noch drie schoon orgelen, ende de kinders liepen met de pijpen al blasende achter straten, die sy malcander om spellen vercochten". 

 

 

 

Pater Jezuiet Strada vertelt in zijn "De Bello Belgico" hoe het grote orgel aan zijn einde kwam: "Andere klommen op leederen en braken af de groote orghel welcke voorwaer een seer uytnemende schoon konst-werck was".

De kerkfabriek liet zich niet onbetuigd en in 1567 krijgt de befaamde Gielis Brebos andermaal de opdracht een nieuw orgel te bouwen voor de som van 237 pond. Het betrof een instrument aanvankelijk bestemd voor de Onze-Lieve-Vrouwe-over-de-Dijle kerk te Mechelen. Antwerpen betaalde 150 pond extra voor een pedaal met afzonderlijke registers. Het nieuwe instrument wordt voltooid met Pasen 1568. Dit werd een bijzondere verwezenlijking want voor het eerst in de Nederlanden wordt een orgel gebouwd met een uitgebreid zelfstandig pedaal, voorzien van zes registers. Het orgel wordt geplaatst boven de kooromgang aan de zuiderkant.

 
Een tweede beeldenstorm breekt los in 1581 en in de maand augustus nemen de protestanten bezit van de Kathedraal. Alweer gaat veel van het interieur verloren. Het orgel bleef deze keer gespaard dank zij de tussenkomst van Servaes Van der Muelen die organist was tijdens het calvinistisch bewind. Vier jaar later wordt de katholieke eredienst hersteld. Vanaf dan worden de vermaarde Antwerpse klavecimbelbouwers Ruckers als orgelstemmers vermeld (1591-1642).

   
 
Het orgel werd totaal vernieuwd in de jaren 1654-1660; het muzikale deel door de Antwerpse orgelbouwer Pieter Lanoy en de kast en het front werden naar een ontwerp van kunstschilder Erasmus Quellin nieuw gebouwd door de Antwerpse beeldhouwer Pieter Verbrugghen de Oude voor 2043 gulden. Dit orgelmeubel bezat in die periode een rugwerk vóór de grote hoofdwerkkast. In 1834 werd dit geheel overgebracht naar de westgevel van de Kathedraal waarbij het orgel werd opgesteld zonder rugwerk en de oude hoofdwerkkast uitgebreid tot de volle breedte van het kerkschip.

In de geest van de vernieuwingen van de 19de eeuw in de orgelbouw werd in 1891 het gehele binnenwerk vernieuwd door de Brusselse orgelbouwer Pierre Schyven. Het kreeg vier klavieren en pedaal, met 90 registers en 5.777 pijpen. Bij die gelegenheid werd ook het nieuwe neo-gotische doksaal gemaakt dat ruimte bood voor groot koor en orkest.

Behalve het hoofdorgel waren er ook andere orgels aanwezig als eigendom van de broederschappen in de Sacraments- en de Onze Lieve Vrouwekapel, en eveneens op de koorafsluiting.

 


De historische gegevens werden ontleend uit het boek  “De Orgels en de Organisten van de Onze Lieve Vrouwkerk te Antwerpen van 1500 tot 1650” door Dr. Guido Persoons (Brussel, 1981).

          

(hieronder,  schets van de opbouw van een klassiek mechanisch pijporgel)
(bron: gravure uit "L'art du facteur d'orgue"  van Dom Bédos de Celles, 18° eeuw)