Antwerpse Kathedraalconcerten vzw

Schyven-orgel - Geschiedenis

De geschiedenis van het Schyven-orgel

De geschiedenis van het Schyven-orgel begint in 1878. Op 20 februari van dat jaar overlijdt Mejuffrouw Eugenia Maria Kempeneers en zij laat aan de kerkfabriek van de kathedraal de voor die tijd aanzienlijke som van 150.000 fr na, bestemd voor de bouw van een nieuw orgel. Deze som komt echter pas beschikbaar na het overlijden van haar broer in 1888.

De kerkfabriek benoemt dan een commissie deskundigen om te onderzoeken welke orgelbouwers in aanmerking komen voor de bouw van het nieuwe instrument. Na de eerste selectie blijven drie orgelbouwfirma's over: Cavaillé-Coll te Parijs, P.Schyven & Cie. te Brussel en Walcker & Cie. te Ludwigsburg.

Aan deze drie wordt gevraagd voor de vaste prijs van 150.000 fr een plan op te stellen, waarbij het oude front gehandhaafd moet blijven en oude pijpen eventueel herbruikt mogen worden. Cavaillé-Coll stelt een instrument voor van 76 registers, Schyven een van 87 registers en Walcker een van 100 registers en 2 gekombineerde stemmen. Buiten de officiele selectie biedt ook Charles Anneessens van Geraardsbergen een electro-pneumatisch instrument aan van 84 registers. Dit wordt echter niet aanvaard.

Bij de beraadslaging van de commissie valt Walcker al snel af. Een bezoek aan een Walcker-orgel in Düsseldorf valt ongunstig uit. Zijn dispositie voor het kathedraalorgel vindt men nodeloos groot. Er worden te veel (goedkope) houten pijpen gebruikt en zijn keuze van kegelladen acht men voor het Antwerpse klimaat minder geschikt.

De keuze tussen Schyven en Cavaillé-Coll is minder gemakkelijk. Het plan van Pierre Schyven wordt als beste beoordeeld, al heeft men wel wat detailkritiek. Zijn instrumenten blijken niet altijd even vlekkeloos. Van Aristide Cavaillé-Coll vindt men de voorgestelde dispositie veel te klein voor de prijs terwijl hij, inclusief wijzigingen aan het front, boven het gestelde bedrag uitkomt. Ook is hij de enige die geen machinale aandrijving van de balgen voorziet. Zijn orgels blijken echter steeds in de meest perfecte staat te zijn. Aan Cavaillé-Coll worden nog een aantal wensen kenbaar gemaakt die hem in een gelijkwaardige positie moeten brengen met Schyven, o.a. dat hij zonder extra kosten elf registers meer moet leveren. De Franse meester blijft echter bij zijn standpunt.

Bij de uiteindelijke beslissing krijgt Aristide Cavaillé-Coll twee stemmen. Pierre Schyven (foto rechts) krijgt er drie en krijgt de bestelling toegewezen. Op 18 mei 1889 wordt het contract met Schyven getekend en kunnen de werken beginnen. In een toegevoegd artikel wordt bepaald dat het orgel in oktober 1891 reeds voor gebruik in de kerkdiensten beschikbaar moet zijn. De oplevering vindt plaats op 14 december 1891. De twaalf man sterke jury die het kathedraalorgel aan een uitgebreide keuring onderwerpt, verklaart dat het een instrument van de allereerste orde geworden is en niets te wensen overlaat.

Sinds die tijd is er opmerkelijk weinig veranderd aan dit Schyven-orgel. Eén register, de Quintatön 12' van het Positif, aanvankelijk gevraagd door de orgelist van toen, Joseph Callaerts, werd in 1934 vervangen door een Quintatön 16', en in 1951 door een Bourdon 16'. Het is daarmee het enige register dat niet meer origineel is.

De gevaarlijke jaren 1950 - 1960, waarin menig historisch orgel aan electrificatie en "opfrissing" bezweek, hebben geen noemenswaardige sporen in dit instrument achtergelaten. Technisch gezien is dit zeker te danken aan de zeer degelijke constructie. Muzikaal bood het instrument door zijn uitgebreide dispositie, met de nodige boventoonregisters, ook voor latere generaties voldoende mogelijkheden. Tenslotte zal de grote reputatie van het instrument er toe bijgedragen hebben het originele opzet te respecteren.

Dit wil echter niet zeggen dat er aan dit Schyven-orgel sinds 1891 nooit iets gewijzigd is. Een kort overzicht van de kleine aanpassingen:

1901: Orgelbouwer Stevens plaatst een nieuwe tremulant op het Récit. Hierop staat te lezen "geplaatst door Albert Van Winckel van Duffel in 1902".

1913: De oude gasmotor voor de windvoorziening wordt vervangen door een electrische ventilator. In de onderkast staat naast de linkerdeur geschreven: "Placé le soufflet électrique en Août & Septembre 1913".

1921: Nogmaals plaatsing van een nieuwe electromotor voor de ventilator.

1934: Orgelbouwer Stevens kuist het orgel. Tevens vervangt hij de Quintatön 12' van het Positif door een Quitatön 16'. Mogelijk zijn toen ook de mixturen zachter gemaakt.

1951: Orgelbouwer D'Hondt plaatst een nieuwe tremulant op het Positif en vervangt de Quintatön 16' door een Bourdon 16'. Het oude registeropschrift wordt echter niet gewijzigd.

1973: Het orgel wordt gedeeltelijk gedemonteerd, in verband met de restauratie van de kathedraal. (zie foto rechts). Het gehele instrument wordt ingekist. De kast wordt gerestaureerd door de aannemer van het binnenschrijnwerk.

1983: De originele balg in de toren wordt op last van de brandweer verwijderd. De kathedraal wordt heropend. De werkzaamheden aan het orgel door de firma Pels-D'Hondt nemen een aanvang.

1986: Het orgel is terug bespeelbaar gemaakt, gekuisd en volledig gestemd. De Kathedraalorganist Stanislas Deriemaeker speelt het instrument op 1 februari opnieuw in met, naast een eigen kompositie, werken die ook op de inspeling in 1891 uitgevoerd werden.